Les Oiseaux Bleus

Geeft vleugels aan de hoop

De Stroom

Ik werkte al geruime tijd als leerkracht op de Maurice Maeterlinckschool, een school voor kinderen met een meervoudige handicap. Onze school zou zich in het kader van een project in Tunesië voor het oprichten van een soortgelijke school in El Kef inzetten. In 1992 vroeg m’n directeur Johan Taal me, of ik de leiding van dit project op me wilde nemen. In eerste instantie heb ik “nee” gezegd. Het overviel me; ik wist niet wat het inhield en wat van me verwacht werd. Ik kreeg toen het advies eens met andere directeuren te gaan praten die in het project meewerkten. Die gesprekken bevielen me eigenlijk ook niet zo. Het ging me te langzaam en er gebeurde te weinig in praktische zin.
Een gewoon gesprek
Tunesiëproject tekst W. Hamberg voor tijdschrift "De Stroom"
Ik werkte al geruime tijd als leerkracht op de Maurice Maeterlinckschool, een school voor kinderen met een meervoudige handicap. Onze school zou zich in het kader van een project in Tunesië voor het oprichten van een soortgelijke school in El Kef inzetten. In 1992 vroeg m’n directeur Johan Taal me, of ik de leiding van dit project op me wilde nemen. In eerste instantie heb ik “nee” gezegd. Het overviel me; ik wist niet wat het inhield en wat van me verwacht werd. Ik kreeg toen het advies eens met andere directeuren te gaan praten die in het project meewerkten. Die gesprekken bevielen me eigenlijk ook niet zo. Het ging me te langzaam en er gebeurde te weinig in praktische zin.
Aan het woord is Ans Kool-Ruis uit Delft. Zij is een van de drijvende krachten achter het project Scholen helpen scholen. Na haar eerste aarzeling bleek een persoonlijk contact haar over de drempel hielp. Een bescheiden vrouw met een enorme dadendrang. Tijd voor een gesprek dus over de hiërarchie van de vrouw in Tunesië, de zoektocht naar meervoudig gehandicapten en de fouten die gemaakt zijn bij de eerste ‘apostolische’ reizen naar El Kef. Het werd een open gesprek.

Sabri Dachraoui
In 1980 raakte een Delftse kinderarts tijdens een vakantie per ongeluk verzeild in El Kef, Tunesië, dichtbij de Algerijnse grens. De armoede en het enorme tekort aan noodzakelijke, medische voorzieningen maakten grote indruk op hem en hij zette zich dan ook in om de bouw van een ziekenhuis te realiseren. Tien jaar later stond het er. Vervolgens vroeg hij zich af, of er ook iets voor het onderwijs gedaan kon worden. Hij sprak daarover met een vriend die directeur was van een school voor speciaal onderwijs in Delft. Deze was bereid zich daarvoor in te zetten. Het was dezelfde directeur die me vertelde, dat er een stagiair uit Tunesië in Delft was. Hij kreeg hier een opleiding om protheses te maken en voelde zich erg depressief . Ik heb met hem gesproken en hem goed kunnen helpen. Daardoor is er tussen Sabri Dachraoui en mij een hechte vriendschap ontstaan. Toen hij weer terug was in Tunesië, kregen mijn man, mijn dochter en ik een uitnodiging van zijn vader om hen een bezoek te brengen. Hij wilde zo bedanken voor de hulp die ik Sabri tijdens zijn stage in Nederland gegeven had.
Het werd voor ons een spannende, zeer chaotische vakantie. Het bleek heel moeilijk afspraken te maken en als dat al lukte, dan klopten afgesproken tijden maar zelden. Niettemin hebben we ontzettend veel warmte en liefde ondervonden. We hadden er alledrie een goed gevoel over. Toen ik vroeg of ik bij familie Dachraoui zou kunnen logeren, als ik in El Kef aan het werk zou gaan, zeiden ze, dat ik van harte welkom was. Vanaf dat moment stond m’n besluit vast: ik zou het gaan doen. Ik heb Sabri toen gezegd, dat ik wilde gaan werken vanuit respect voor elkaar en een gevoel van vriendschap. Samen met de Tunesiërs wilde ik wat gaan opbouwen. Sabri zou dan m’n begeleider en gids kunnen worden. Dat wilde hij, maar doorslaggevend voor hem en zijn familie was, dat ik van God hield.

De menselijke weg
Ik had ‘ja’ gezegd, maar wel onder de voorwaarde dat ik allereerst op zoek mocht naar mensen die heel bewust iets wilden doen aan de ellendige situatie waarin gehandicapte kinderen in dat land verkeerden. Ik koos dus voor de menselijke en niet voor de ambtelijke weg via het gouvernement, waardoor weer veel kostbare tijd verloren zou gaan. Hoewel m’n opdracht was een school voor meervoudig gehandicapte kinderen op te bouwen, heb ik me allereerst beziggehouden met de uitbreiding van een school voor verstandelijk beperkte kinderen. Degene die daar verantwoordelijk voor was, had een hartinfarct gekregen, waardoor acuut hulp nodig was.
Heeft u weleens tegenslagen gehad? Ik bedoel, het moet toch niet gemakkelijk zijn om in zo’n andere cultuur aan de slag te gaan?
Ans Kool: ‘Tijdens een van m’n bezoeken aan El Kef in die beginperiode kwam ik op een dag samen met Sabri op het kantoor van het Gouvernement, het bestuur van het district. De heer Mustapha Aloui was daar de leidinggevende op de afdeling ‘Sociale Zaken’. Hij zat aan een klein bureautje met zes stoelen ervoor. De plaats waar die stoelen stonden bleek heel belangrijk: afhankelijk van je functie en verantwoordelijkheid mag je op een bepaalde stoel plaatsnemen. Sabri mocht niet gaan zitten. Toen maakte ik de grote fout door te zeggen, dat ik dan ook wel zou blijven staan. Dat zeg je in die cultuur niet tegen iemand die maatschappelijk van hoger aanzien is. En als vrouw kun je je dat al helemaal niet permitteren. Na een aantal vluchtige gesprekjes op het kantoor van Mustapha vroeg ik hem eens om een gesprek buiten kantoortijd. Dat hielp; er kwam wat vaart in. Zo langzamerhand verzamelde ik een groep gemotiveerde mensen om me heen. De vader van Sabri en een vriend van hem waren ook erg enthousiast geworden en deden wat ze konden. Tijdens m’n eerste bezoek ben ik drie weken in El Kef geweest. Een kenmerk van de Arabische cultuur is, dat de grootste aandacht naar sterke en gezonde mensen uitgaat. We moesten toen dus letterlijk op zoek naar gehandicapte kinderen die hulp nodig hadden. Ik legde diverse huisbezoeken af en “met handen en voeten” wist ik me prima verstaanbaar te maken. Meervoudig gehandicapte mensen worden min of meer “verstopt” en op hulp aan hen rust een groot taboe. We zijn de school dan ook met slechts drie kinderen begonnen. Inmiddels zijn het er vijfenveertig en is er een wachtlijst. De nieuwbouw van de school is gedeeltelijk gerealiseerd en wij zullen aan de inrichting ervan gaan werken.

Jongeren voor jongeren
In die jaren kwamen bij ons thuis in Delft veel studenten over de vloer, zomaar, om wat te eten of als ze gewoon zin hadden in een biertje. Op een druilerige avond in de herfst van 1996 werd er gebeld en stond Erik Winkel voor de deur. Dat deed hij wel vaker. Hij wist van m’n reizen naar Tunesië en m’n werkzaamheden daar. Hij vroeg zich af of apostolische jongeren me daar niet bij zouden kunnen helpen. Een soort werkkamp dus. Daar voelde ik helemaal niets voor. Ik was dan voor alles en allen verantwoordelijk en zou zo druk met het begeleiden, zijn dat ik aan m’n eigenlijke werk niet toe zou komen. Daar kreeg Erik me dus niet voor.
Een paar weken later belde oudste Leeflang. Het idee was tijdens een samenkomst van het Jongerennetwerk geboren en de Oudste vond het toch wel jammer dat er geen vervolg aan gegeven kon worden. Ik legde hem uit, dat er bij dit project een werkwijze gehanteerd werd die hemelsbreed verschilde van wat we in ons Werk gewend waren. De Oudste nodigde me uit voor een vervolggesprek en Erik mocht op mijn verzoek mee.
Tijdens dit gesprek hadden we het over de grote waarde die het voor jonge mensen heeft, kennis te maken met andere levensomstandigheden en culturen. Ik heb toen gezegd dat ik het wel wilde proberen onder bepaalde voorwaarden. Ik wilde de werkwijze aanhouden die binnen m’n werk en dit project gebruikelijk was. Een werkwijze die uitgaat van gelijkwaardigheid en het delen van verantwoordelijkheden. Dit hield bijvoorbeeld ook in, dat ik met m’n voornaam, Ans, aangesproken wilde worden.
Het lijkt me best een spannende tijd. U was immers zeer betrokken bij het project en om dan ook zo’n reis te organiseren, moet een flinke klus zijn. Hoe is dat gegaan?
Het lijkt me best een spannende tijd. U was immers zeer betrokken bij het project en om dan ook zo’n reis te organiseren, moet een flinke klus zijn. Hoe is dat gegaan? We werden het eens en in januari 1997 zijn we begonnen met een groep jonge mensen die gereageerd hadden op een oproep in Ons Maandblad. Er hadden zich veertig jonge mensen aangemeld, maar ik wilde met een groep van twintig werken. Oudste Leeflang heeft de selectie gedaan. Dat gebeurde onder andere op basis van de brief die iedereen hem persoonlijk had geschreven. Op een avond zijn we samengekomen en zijn de twintig namen bekendgemaakt. Het was een heftige avond, want degenen die niet mee zouden gaan, waren hevig teleurgesteld. Enkelen waren oprecht boos. Voor hen was er die avond overigens wel de mogelijkheid met de Oudste te spreken. Ik denk, dat we het die eerste keer niet zo handig aangepakt hebben. Nu gaat het anders. Aan de selectie gaat een motivatiegesprek vooraf, zodat we achteraf duidelijker kunnen aangeven waarom iemand afgevallen is. Omdat zijn agenda overvol was, heeft oudste Leeflang zijn taken binnen het project overgedragen aan broeder en zuster L. van Zuilen uit Vlaardingen, voor velen beter bekend als oom Leo en tante Jannie.

De liefde vraagt om een bewijs
Deze eerste reis werd een groot succes. We hadden ons erg goed voorbereid. Ik had voortdurend benadrukt dat we, ondanks het werk dat we voor hen zouden gaan verrichten, gast zouden zijn. Gast in een land met een cultuur die in veel gevallen haaks op de onze staat en dat we ons dus behoorden aan te passen. Ik heb ook nooit de bedoeling gehad de apostolische gedachte uit te dragen of iets dergelijks. We gingen in de eerste plaats om hard te werken binnen een bestaande hulpverleningsstructuur. Ik ben in m’n werk op school gewend iedereen de ruimte te geven, om zijn of haar kennis en kunde te tonen. Je luistert naar elkaar en geeft elkaar de ruimte om zich te ontplooien en te groeien. Zo werken we ook in Tunesië. Ik heb ontdekt, dat apostolische jonge mensen dat gevoel en die mogelijkheid ook in ons Werk zoeken. “Deze generatie van de toekomst moet veel goedmaken van wat er in het verleden fout is gegaan. De liefde op zich is niet genoeg. De liefde vraagt om een bewijs”, schreef Mustapha Aloui naar aanleiding van onze eerste reis. Woorden die prachtig aansluiten bij m’n praktische kijk op onze werkzaamheden. Apostolisch zijn vraagt overigens ook om een bewijs, denk ik daar dan bij.
Vindt u dat het project in de huidige vorm geslaagd? Merkt u dat het werkt?
Zr Kool antwoord resoluut: Het project is ijzersterk. Dat komt omdat we goed met elkaar praten en zeer zorgvuldig werken. We hebben bijvoorbeeld afgesproken, dat de jongeren hun reiskosten zelf betalen. Dat verheft het project tot honderd procent liefdewerk. Samen met onze Tunesische vrienden werken we aan een uniek project en ook namens hen mag ik allen die het met hun daadkracht en inzet ondersteunen, hartelijk danken.
Inmiddels zijn er vijf reizen geweest. Tijdens de eerste drie hebben we inrichtings- en onderhoudswerkzaamheden verricht. De vierde reis hebben we met Tunesische weeskinderen in een vakantiekamp doorgebracht en vorig jaar was er een kamp voor dove, verstandelijk beperkte en meervoudig gehandicapte kinderen. Met name tijdens die laatste twee reizen werden we zeer nadrukkelijk geconfronteerd met cultuurverschillen. Dat maakt het moeilijker, maar ook veel leerzamer. En we houden bij de selectie uiteraard ook rekening met het doel van de desbetreffende reis.
We houden ons niet nadrukkelijk met onze apostolische cultuur bezig, maar desondanks hebben we diepgaande gesprekken met elkaar. Er zijn er die daardoor “de weg naar ons Werk” teruggevonden hebben. Maar een van de grootste waarden voor ons allemaal is wel, dat we een ander, helderder Godsbeeld gekregen hebben..
Oct 2012
Jul 2012
Jul 2011
Jun 2011
Aug 2010
Jul 2010
Jul 2009
Jun 2009
Oct 2008
Jul 2008
Aug 2007
Oct 2006
Aug 2006
Apr 2006
Sep 2005
May 2005
Dec 2004
Jul 2003
Jan 2002
Jul 2001
Aug 1999

© 2013 Les Oiseaux Bleus Contact Me